Als je je lichaam kwijtraakt
Dit zou iedereen die te maken heeft met mensen met dementie moeten weten!
Het begint vaak subtiel. Iemand gaat wat schever zitten. Duwt zich achteruit in de stoel. Trekt de schouders op of kruipt langzaam in elkaar. Niet omdat hij dat wil, maar omdat zijn lichaam hem niet meer vertelt waar hij is.
Ons bewegen is afhankelijk van drie stille systemen die meestal feilloos samenwerken. De tastzin, die ons via oppervlakkige en diepe druk laat voelen waar ons lichaam begint en eindigt. De proprioceptie, die ons vertelt hoe onze spieren en gewrichten staan. En het evenwichtssysteem dat voortdurend checkt of we stabiel zijn.
Zolang die systemen goed functioneren, bewegen we vanzelfsprekend. We gaan zitten zonder na te denken. We staan op zonder paniek. Maar bij dementie raken juist deze systemen ontregeld. Ze geven te weinig, te onduidelijke of verkeerde informatie door aan het brein. En dan raakt iemand ‘zijn lichaam kwijt’.
Wie zijn lichaam niet goed voelt, kan het niet vertrouwen. En wie zijn lichaam niet vertrouwt, gaat compenseren. Door te duwen. Door aan te spannen. Door zich klein te maken. Dat zie je terug in motoriek: achteroverduwen in de stoel, een foetushouding, moeite met rechtstaan, plots verlies van balans of extreme spierspanning.
Voor de buitenwereld lijkt het ‘onhandig’ of ‘tegenwerkend’ gedrag. Maar van binnen is het pure overleving. Het brein zoekt wanhopig naar houvast. Juist hier kan diepe druk het verschil maken. Diepe druk die je bijvoorbeeld via het Squease-drukvest kan geven, geeft duidelijke, constante informatie aan het lichaam. Druk op de romp activeert zowel de tastzin als de proprioceptie. Het lichaam krijgt weer grenzen. Met als voordeel dat deze druk niet door gewicht ontstaat dat voor steeds brozer wordende ouderen lastig is. De druk ontstaat door gewichtloze lucht.
Het resultaat? Spierspanning zakt. Bewegingen worden rustiger. Houding verbetert omdat hij zichzelf weer voelt, niet omdat iemand gecorrigeerd wordt. Het evenwichtssysteem hoeft minder te compenseren, omdat het lichaam weer ‘klopt’.
Zorgverleners merken dat iemand minder wegzakt, minder duwt en makkelijker meebeweegt. Transfers verlopen rustiger. Zitten kost minder energie. En vooral: de constante motorische onrust neemt af.









